Vrijdag 18 Mei 2012
De Groot-Nederlandse gedachte door de jaren heen
Gepubliceerd op: 15 maart 2011, auteur: Gerrit Jan Weikamp
De diepe politieke crisis in België duurt voort en het is niet ondenkbaar dat het land op termijn uiteen zal vallen. Eén van de scenario's is dat Vlaanderen en Nederland samen één staat zullen gaan vormen. Deze Groot-Nederlandse gedachte is zeker niet nieuw.
Arbeidersbewegingen
In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw, waren het de Vlaamse en Nederlandse socialisten die blijk gaven van het Groot-Nederlandse gedachtegoed. De arbeidersbewegingen in Nederland en Vlaanderen werkten in die periode zeer nauw samen en streefden ernaar om uiteindelijk op te gaan in één beweging. De Nederlandse socialistenleider Domela Nieuwenhuis sprak veelvuldig in Vlaanderen en zijn Vlaamse evenknie César De Paepe deed hetzelfde in Nederland. Naar een echte fusie van Nederland en Vlaanderen werd echter niet gestreefd, voornamelijk omdat de socialisten -in lijn met de leer van Karl Marx- verwachtten dat het fenomeen 'staat' weldra volledig zou verdwijnen.
Lange tijd was de Groot-Nederlandse gedachte een
echt socialistisch speerpunt, maar toen de socialisten zich begonnen te verenigen in politieke partijen, verdween het onderwerp langzaam van de politieke agenda. Politieke partijen zijn nu eenmaal gebonden aan een nationaal kader. Samenwerking met pro-Belgische Waalse gelijkgestemden, leverde binnen die context de Vlaamse socialisten veel meer politieke invloed op dan een alliantie met de Nederlanders. Slechts een enkele, alleenstaande socialist, bleef vasthouden aan het Groot-Nederlandse ideaal.Flamenpolitik
Tijden de Eerste Wereldoorlog was vrijwel heel België bezet door de Duitsers. De bezetters voerden de zogenaamde Flamenpolitik, die erop was gericht de Vlamingen warm te maken voor een hereniging met Nederland. Het zo ontstane Groot-Nederland zou vervolgens één de deelstaten van het Duitse Rijk kunnen worden en Wallonië zou tot de deelstaat Pruisen gaan behoren. Gedurende de oorlog probeerden de Duitsers aan beide zijden van de grens draagvlak te creëren voor het samengaan van Vlaanderen en Nederland.
Na de Duitse nederlaag bleek de Flamenpolitik redelijk succesvol te zijn geweest: voorstanders van de Groot-Nederlandse gedachte lieten tijdens het Interbellum nadrukkelijker dan voorheen van zich horen.
De Nederlandse historici Pieter Geyl en Frederik Gerretson waren in die periode toonaangevende voorstanders van de wording van Groot-Nederland. De twee kwamen rond 1920 met elkaar in contact toen de Belgische regering bij de Nederlandse regering aandrong op herziening van een aantal verdragen tussen beide landen. Gerretson en Geyl kwamen hiertegen in protest en gaven daarbij blijk van een anti-Belgische en pro-Vlaamse houding.
Fascisme
Naast de inspanningen van Geyl en Gerretson betekende ook het opkomende fascisme in de jaren twintig en dertig een impuls voor de Groot-Nederlandse gedachte. Sleutelbegrippen binnen het fascisme zijn het volk en de staat. Wie Nederlanders en Vlamingen als één volk beschouwt, zal vanuit fascistisch perspectief dan ook naar één staat voor dat volk streven.
Geyl en Gerretson zagen aanvankelijk in het fascisme een probaat middel om hun doel, Groot-Nederland, te bereiken. Geyl nam echter afstand van de fascistische beweging waarin hij actief was, toen deze zich meer en meer ging richten op Berlijn en de NSB dan op Den Haag en hemzelf. In de herfst van 1940 werd Geyl door de Duitse bezetters in gijzeling genomen en die ervaring betekende dat hij zich definitief distantieerde van het fascisme.Gerretson en veel van zijn medestanders zagen in de Duitse bezetting een kans om hun Groot-Nederlandse ideaal te verwezenlijken. Zij collaboreerden zowel in Nederland als in Vlaanderen dan ook op grote schaal. Voor de Duitse bezettingsmacht had Groot-Nederland geen prioriteit, maar van de diensten van Gerretson en de zijnen werd wel dankbaar gebruik gemaakt.
Besmet idee
Na de Bevrijding was de Groot-Nederlandse gedachte een zeer besmet idee geworden, dat met nationaal-socialisme en collaboratie geassocieerd werd. Alleen aan de rand van het politieke spectrum waren in de decennia na 1945 nog Groot-Nederlandse geluiden te horen, maar deze werden nauwelijks serieus genomen.
In de media is er de laatste tijd echter weer volop aandacht voor de Groot-Nederlandse gedachte, maar zowel in de Nederlandse als in de Vlaamse politiek is daar - uitzonderingen daargelaten - maar weinig van terug te horen. Interessant is wel dat er heden ten dage vooral gekeken wordt naar bijvoorbeeld de politieke en economische machtspositie van Groot-Nederland in een verenigd Europa en dat er van de ultranationalistische argumenten uit het Interbellum nog maar weinig terug te vinden is. De toekomst zal uitwijzen of en in welke vorm het streven naar Groot-Nederland op de politieke agenda zal terugkeren.
Bronnen:
* D. Devree, 'De rode Groot-Nederlandse gedachte', Spiegel historiael: maandblad voor geschiedenis en archeologie 10 (1975) 476-485.
* L. Wils,Vlaanderen, België, Groot-Nederland. Mythe en geschiedenis (Leuven 1994).
* H.W. von der Dunk, 'De Grootnedelandse gedachte geen tic van excentrieke heren', Tijdschrift voor geschiedenis 97 (1984) 207-213.
* P. Blaas, 'Gerretson en Geyl: de doolhof der Grootnederlandse gedachte', Tijdschrift voor geschiedenis (1984) 37-51.
Foto's rechts: Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Carl Frederik Gerretson
©GeschiedenisBeleven.nl, auteur: Gerrit Jan Weikamp, foto's: Wikimedia (cc)
Meer artikelen in de categorie Geschiedenis

Artikelen


